Tijdens het presidentschap van John F. Kennedy raken de Verenigde Staten steeds meer betrokken bij het Vietnamese conflict. Beperkt Kennedy de Amerikaanse steun nog tot het zenden van helikopters en militaire adviseurs, zijn opvolger Lyndon B. Johnson breidt het leger uit tot meer dan 500.000 man en laat zijn luchtmacht met de regelmaat van de klok het Vietnamese landschap stofferen met bommentapijten. Waarbij soms ook de buurlanden kind van de rekening worden.
Honderden verslaggevers volgen de militaire inspanningen op de voet. Televisiebeelden laten avond in avond uit de krijgsverrichtingen zien, waarbij de kritische toonzetting bij uitblijven van klinkende resultaten almaar luider klinkt.
De culturele vernieuwingsbeweging onder de jongeren in de jaren '60, die aanvankelijk beperkt bleef tot radicale veranderingen op het muzikale vlak en niet veel meer was dan het gebruikelijke verzet van een jongere tegen een oudere generatie, krijgt door de oorlog in Vietnam een politieke dimensie. Dienstplicht raakt nu iedere jongeman in de VS, of hij arm of rijk is, blank of zwart. En wanneer er meer ruchtbaarheid wordt gegeven aan oorlogsmisdaden, wanneer het excessieve drugsgebruik bekend raakt, maar ook de inzet van napalm en ontbladeringsmiddelen, neemt het binnenlands verzet in de Verenigde Staten toe.
De werkelijke omslag echter in de publieke opinie komt met het telkenmale inzoomen op de duizenden bodybags, die gereed worden gemaakt voor een terugvlucht naar de Verenigde Staten.
Johnson weet zijn 'Great Society'-plan bedreigd en ziet door rassenrellen de verhouding tussen blank en zwart weer verscherpen. Teleurgesteld laat hij weten geen tweede termijn als president van de VS te ambiëren. Het is de republikein Richard M. Nixon, die met zijn leus voor 'peace with honour' de verkiezingen wint. Tijdens zijn presidentschap komt het tot de ernstigste binnenlandse onlusten tot dan toe. Nixon verordonneert de inval in het naburige, neutrale Cambodja. De hele wereld protesteert en in de VS zelf vallen doden onder de demonstranten.
Beelden en verhalen kunnen de mening vormen. Aan het gegeven dat media bij de verspreiding van die verhalen en beelden bepaalde bedoelingen voor ogen hebben valt niet te ontkomen. Zo zullen de grootmachten in de Vietnam-oorlog ieder voor zich de eigen opvattingen willen ventileren. Geen middel wordt onbeproefd gelaten om de beeldvorming te beïnvloeden. Men schroomt niet allerlei beroemdheden in te zetten – uit de filmwereld, de wetenschap of de sport. Ook de muziek wordt een slagveld, waarop voor- en tegenstanders in alle toonaarden hun opvattingen ten gehore brengen.
In deze kakofonie van beeld en geluid voert een luidruchtige minderheid de boventoon. Niet voor niets spreekt men in deze dagen van de 'silent majority', een meerderheid die misschien diep in het hart ook wel zijn twijfels heeft over de oorlog. Zelfs in het keurige Nederland van de jaren '60 wordt periodiek gedemonstreerd. Niet alleen door jongeren, niet alleen door politiek links of door kunstenaars, maar uiteindelijk ook door onverdachte groepen als huisvrouwen, moeders met kinderen, ja zelfs pastoors en dominees.